ECLI:NL:CRVB:2022:2159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellante was sinds november 2017 ziek gemeld met psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde in oktober 2018 vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante voldoende waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onderschat waren, met name vanwege een gegeneraliseerde angststoornis, oogproblemen en een recent gediagnosticeerde aandoening (RIS). Zij overlegde diverse medische rapporten en deskundigenverklaringen ter onderbouwing. Het UWV reageerde met aanvullende rapporten en stelde een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin een aanvullende beperking voor zien werd opgenomen.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat en toereikend had gemotiveerd en dat de aanvullende beperkingen niet tot een andere uitkomst leidden. De functies waarop de verdiencapaciteit was gebaseerd, bleven passend. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.