ECLI:NL:CRVB:2022:2160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig bankwerker/lasser, meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Ook beëindigde het UWV de Ziektewetuitkering toen appellant volgens medisch onderzoek geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen beide besluiten en voerde aan dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, mede op basis van rapporten van een verzekeringsarts en psychiater. De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond, waarbij zij de zorgvuldigheid en motivering van het UWV-onderzoek onderschreef.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat had vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 7 maart 2019 en dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad vond geen aanleiding voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek en verwierp de stelling van appellant dat de verzekeringsartsen onvoldoende expertise hadden voor de beoordeling van zijn psychische klachten.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldoende arbeidsongeschikt was voor een WIA-uitkering en dat de Ziektewetuitkering terecht was beëindigd. Vergoeding van schadevergoeding en proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van de Ziektewetuitkering worden bevestigd.