ECLI:NL:CRVB:2022:2164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onzorgvuldige WIA-beoordeling door UWV leidt tot herstelopdracht
Appellant, laatstelijk werkzaam als instellingskok, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, waarbij de rechtbank het beroep gegrond verklaarde maar oordeelde dat het UWV de gebreken in bezwaar had hersteld.
In hoger beroep stelde appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was omdat geen uitgebreid lichamelijk onderzoek was verricht door een geregistreerde verzekeringsarts en dat zijn beperkingen waren onderschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts in de primaire fase niet zonder meer kan worden geaccepteerd en dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hiervan kon worden afgezien.
De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek niet volledig en onvoldoende zorgvuldig was en dat het besluit van het UWV in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom draagt de Raad het UWV op binnen zes weken het gebrek te herstellen door alsnog een spreekuurcontact te verrichten.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te herstellen door een spreekuurcontact met appellant te verrichten.