Uitspraak
20 430 ZW
13 december 2019, 18/1124 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 14 mei 2012 in dienst bij werkgever 1. Na het faillissement van werkgever 1 op 30 juni 2017, heeft de curator de arbeidsovereenkomst met appellant opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn tot 11 augustus 2017. Werkgever 2 zette de activiteiten van werkgever 1 voort en appellant trad per 20 juli 2017 in dienst bij werkgever 2 op basis van een nul-urencontract.
Appellant meldde zich op 24 juli 2017 ziek en verzocht om ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde dit omdat appellant geen recht had op ziekengeld vanuit zijn dienstverband met werkgever 2 vanwege de loondoorbetalingsplicht van werkgever 2, en geen recht had vanuit werkgever 1 wegens het ontbreken van nawerking van de ZW-verzekering.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het dienstverband met werkgever 1 was geëindigd op 19 juli 2017, omdat appellant per 20 juli 2017 bij werkgever 2 in dienst was getreden. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn dienstverband met werkgever 1 pas op 11 augustus 2017 eindigde en dat hij daarom als vangnetter recht had op ziekengeld.
De Centrale Raad van Beroep volgde appellant in dat de arbeidsovereenkomst met werkgever 1 niet op 20 juli 2017, maar op 11 augustus 2017 eindigde. Echter, omdat appellant vanaf 20 juli 2017 geen arbeid meer verrichtte en geen loon ontving van werkgever 1, was hij niet langer verzekerd voor de ZW op grond van dat dienstverband. Ook was er geen sprake van nawerking van de ZW-verzekering. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op ziekengeld vanuit het dienstverband met werkgever 1 na 19 juli 2017 ondanks formeel einde op 11 augustus 2017.