ECLI:NL:CRVB:2022:2203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening kinderbijslaguitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker vroeg om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juli 2021, waarin het beroep tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) tot opschorting van kinderbijslag was afgewezen. De Svb had in 2017 besloten dat verzoeker vanaf het derde kwartaal van dat jaar geen recht meer had op kinderbijslag. Verzoeker had bezwaar gemaakt, maar dit was niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank Amsterdam en later de Raad bevestigden dit besluit.
In het herzieningsverzoek stelde verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren te kunnen brengen die aan de eisen van artikel 8:119, lid 1, Awb voldeden. De Raad benadrukte dat herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak, maar uitsluitend voor het aanvoeren van feiten en omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Omdat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen, wees de Raad het verzoek om herziening af. Er werd ook geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier S.N. de Groot, op 13 oktober 2022.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over het recht op kinderbijslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.