ECLI:NL:CRVB:2022:2272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ZW-uitkering na beëindiging dienstverband junior productmanager
Betrokkene was sinds april 2017 werkzaam als junior productmanager en heeft haar dienstverband per 1 augustus 2018 opgezegd, terwijl zij zich op 18 juni 2018 ziek meldde. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe vanaf 1 augustus 2018, welke toekenning door de werkgever werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en stelde vast dat betrokkene daadwerkelijk arbeidsongeschikt was bij het einde van het dienstverband.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat het UWV ten onrechte de maatstaf van de feitelijk verrichte arbeid hanteerde in plaats van de bedongen arbeid, dat de arbeidsongeschiktheid onvoldoende medisch was onderbouwd en dat sprake was van een benadelingshandeling. De Raad overwoog dat artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet juist toepassing vond en dat de arbeidsongeschiktheid voldoende medisch gemotiveerd was. Tevens werd geoordeeld dat betrokkene haar arbeidsovereenkomst niet opzegde terwijl zij al arbeidsongeschikt was, zodat geen sprake was van benadeling van het fonds.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van de werkgever af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de ZW-uitkering aan betrokkene wordt bevestigd.