ECLI:NL:CRVB:2022:2283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit ondanks medische klachten
Appellant, laatst werkzaam als beveiliger, meldde zich ziek met oogontsteking en raakte later betrokken bij een ongeval met nek-, duizeligheids- en heupklachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar stelde bij een eerstejaars beoordeling vast dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde het ziekengeld.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat beperkingen op het gebied van zitten niet juist waren beoordeeld. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom geen beperking op zitten werd aangenomen, maar na aanvullend onderzoek werd dit standpunt voldoende onderbouwd en het bezwaar ongegrond verklaard.
In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat er wel beperkingen zijn, onderbouwd met nieuwe medische informatie. De Raad overwoog dat deze informatie na de peildatum ligt en het UWV heeft gemotiveerd dat dit het oordeel niet wijzigt. De Raad volgt dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt en bevestigt dat appellant geen beperking heeft op zitten.
De arbeidsdeskundige heeft bovendien gemotiveerd dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.