ECLI:NL:CRVB:2022:2338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een periode van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep is dit besluit bevestigd, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep het medisch oordeel toetste en geen aanleiding zag voor een aanvullend fysiek onderzoek.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met de psychische beperkingen van appellante op de datum in geding. De Raad volgde de vaste rechtspraak dat een medisch oordeel van een arts, getoetst door een verzekeringsarts, voldoende zorgvuldig is, ook als in de primaire fase geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden.
Appellante voerde aan dat zij ongelijk werd behandeld en dat het proces niet eerlijk was, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. Ook haar verzoek om een schadevergoeding wegens te late keuring werd afgewezen, omdat zij onvoldoende schade had aangetoond. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.