ECLI:NL:CRVB:2022:2472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand vanaf 2013 en stond ingeschreven op een adres in een woonplaats. Het college voerde een onderzoek uit naar zijn woonsituatie nadat appellant meerdere keren niet was verschenen bij re-integratieafspraken en niet thuis werd aangetroffen bij huisbezoeken. Het onderzoek omvatte onder meer het opvragen van waterverbruiksgegevens over een periode van 2009 tot 2018, waaruit bleek dat de watertoevoer op het uitkeringsadres was afgesloten en het waterverbruik nihil was.
Op basis hiervan concludeerde het college dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de te beoordelen periode van 20 februari 2013 tot en met 13 november 2014. Appellant had dit niet gemeld, waardoor het college de bijstand over die periode introk en de kosten terugvorderde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was het waterverbruik op te vragen en dat een extreem laag verbruik de veronderstelling rechtvaardigt dat de woning niet bewoond werd. Appellant kon zijn hoofdverblijf niet aannemelijk maken, ondanks zijn verklaring over hulp van vrienden en medische documenten. Ook werd geoordeeld dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De vordering was bovendien niet verjaard omdat het college pas in oktober 2018 bekend werd met de relevante feiten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.