ECLI:NL:CRVB:2022:249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling door UWV
Appellant viel uit wegens klachten aan linker voet en enkel en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidwet. Het UWV stelde op basis van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling vast dat appellant met beperkingen nog 88,22% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij hij onder meer pijnklachten en psychische problemen aanvoerde, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder verwijzingen naar medische rapporten en psychische klachten, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan die het oordeel konden wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts had rekening gehouden met pijnklachten, medicatiebijwerkingen en psychische stoornissen, en had gemotiveerd waarom geen verdere beperkingen noodzakelijk waren. De functies die appellant nog zou kunnen verrichten, zijn medisch geschikt bevonden.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.