ECLI:NL:CRVB:2022:2494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenplicht door dakloze met vaste verblijfplaats
Appellant ontving bijstand als dakloze van de gemeente Rotterdam, maar het college stelde vast dat hij sinds mei 2019 niet meer in de nachtopvang verbleef en geen verklaring over zijn verblijfadressen had ingediend. Ondanks verzoeken om informatie te verstrekken, bleef appellant in gebreke, waarop het college het recht op bijstand opschortte en uiteindelijk introk met terugvordering van de bijstand over de periode 8 mei tot 30 juni 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet tijdig kennis had genomen van de verzoeken en dat hij de gevraagde informatie wel had ingediend. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat het college het opschortingsbesluit aan appellant en zijn bewindvoerder had verzonden en dat geen bewijs was gevonden van tijdige indiening.
De Raad oordeelde dat appellant in de beoordelingsperiode een vaste verblijfplaats bij zijn vader buiten Rotterdam had, waardoor hij niet tot de doelgroep daklozen behoorde en geen recht had op bijstand als dakloze in Rotterdam. Door de schending van de inlichtingenplicht was het college bevoegd en verplicht de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellant worden bevestigd omdat hij geen recht had op daklozenuitkering in Rotterdam vanwege een vaste verblijfplaats buiten de gemeente en het schenden van zijn inlichtingenplicht.