ECLI:NL:CRVB:2022:2500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek uitbreiding hulp bij het huishouden pgb op grond van Wmo 2015
Appellante was sinds 20 augustus 2014 aangewezen voor hulp bij het huishouden van drie uur per week via een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Op 9 januari 2019 verzocht zij om uitbreiding van deze hulp. Het college van burgemeester en wethouders van Westland wees dit verzoek af bij besluit van 12 februari 2019, bevestigd bij bezwaarbeslissing van 16 januari 2020, en beëindigde de bestaande voorziening per 13 februari 2019. Dit besluit was gebaseerd op een medisch advies van 11 februari 2019 waarin werd geconcludeerd dat appellante wel fysieke klachten heeft, maar geen beperkingen die het verrichten van huishoudelijke taken belemmeren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het medisch advies onzorgvuldig was en dat het college een verzwaarde motiveringsplicht had bij beëindiging van de hulp. De Raad oordeelde dat het overgangsrecht van artikel 8.9 Wmo 2015 het college bevoegd maakt om de voorziening te beëindigen indien geen aanspraak meer bestaat, ongeacht het verzoek om uitbreiding.
De Raad vond geen aanleiding om het medisch advies als onzorgvuldig of onjuist te beoordelen en verwierp het hoger beroep. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om uitbreiding van hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb is afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.