ECLI:NL:CRVB:2022:2571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankstortingen
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet sinds 2010. Een onderzoek van de gemeente Heemskerk wees uit dat zij tussen februari 2017 en juni 2019 bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekening had ontvangen ter waarde van €43.464,56. Het college besloot daarop de bijstand te herzien, in te trekken en een bedrag van €26.570,92 terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de stortingen niet als inkomen konden worden beschouwd omdat het geld bestemd was voor anderen, zoals medische zorg voor haar moeder en hulp aan armen in Marokko. Tevens stelde zij dat sommige stortingen terugvorderingen van eerder opgenomen eigen geld waren.
De Raad oordeelde dat stortingen en bijschrijvingen in beginsel als inkomen gelden tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Appellante slaagde er niet in een direct verband tussen opnames en stortingen aan te tonen en kon niet bewijzen dat zij niet vrij kon beschikken over de bedragen. De verklaringen waren ongedateerd, achteraf opgesteld en onvoldoende concreet. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te vermijden werd verworpen omdat de klachten niet direct verband hielden met de terugvordering.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.