ECLI:NL:CRVB:2022:2663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting na verhuizing wegens gebrek aan noodzakelijkheid
Appellant woonde van september 2014 tot januari 2020 in een kamer in Almere en verhuisde op 27 januari 2020 naar een zelfstandige woning. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, maar het college wees dit af omdat de verhuizing niet als plotseling noodzakelijk werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de kosten alleen als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt indien de verhuizing zelf noodzakelijk is. Appellant kon geen urgentieverklaring of medische noodzaak overleggen en erkende ter zitting dat er geen onhoudbare situatie was. Zijn wens om zijn kinderen beter te kunnen ontvangen volstond niet.
De informatie op de gemeentelijke website over bijzondere bijstand voor verhuiskosten bood geen garantie op toekenning van bijstand voor woninginrichting. Tevens werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro verworpen, omdat het recht op gezinsleven niet meebrengt dat bijzondere bijstand voor woninginrichting moet worden verleend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk is gebleken.