ECLI:NL:CRVB:2022:2676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- S.B. Smit-Colenbrander
- C.F.E. van OldenSmit
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld en weigering WIA-uitkering wegens verdiencapaciteit en wachttijd
Appellante was werkzaam als medewerkster algemeen schoonmaakonderhoud en meldde zich ziek met lage rugklachten. Het UWV kende haar aanvankelijk ziekengeld toe omdat zij minder dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Na een arbeidskundig en medisch onderzoek werd vastgesteld dat zij vanaf 9 augustus 2019 meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd. Tevens werd haar aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen omdat zij de wachttijd van 104 weken niet had doorlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de maatman correct was vastgesteld op 24,92 uur per week. Appellante bracht geen nieuwe medische informatie in die het oordeel van de verzekeringsartsen zou ondermijnen. Ook het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Raad concludeerde dat de aangevoerde gronden reeds door de rechtbank waren beoordeeld en verworpen. De Raad vond het medisch onderzoek en de beoordeling van de verdiencapaciteit zorgvuldig en zag geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. Het bezwaar dat de toetsing onzorgvuldig was vanwege het tijdstip van het arbeidskundig onderzoek werd eveneens verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld had beëindigd en de WIA-uitkering had geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het ziekengeld en de weigering van de WIA-uitkering.