ECLI:NL:CRVB:2022:2685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft in 2007 en opnieuw in 2018 een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege diverse medische klachten die zij sinds haar zeventiende levensjaar heeft. Het UWV wees de aanvragen af omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ondanks dat appellante niet wilde meewerken aan een medisch onderzoek.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, onder meer dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen op haar zeventiende en achttiende verjaardag werden overschat. Zij verwees naar aanvullende medische informatie en stelde dat het UWV deze onvoldoende had meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat het dossieronderzoek voldoende was gezien de herhaalde aanvraag en de periode in het verleden, en dat de medische stukken geen aanleiding gaven om het eerdere oordeel te herzien. De Raad bevestigde dat appellante niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering omdat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt is.