Uitspraak
20.562 WAZ
mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
BESLISSING
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 14 december 2018 een WAZ-uitkering aan, stellende sinds 1998 arbeidsongeschikt te zijn door psychisch trauma na geweldsdelicten. Het UWV wees de aanvraag af op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat onvoldoende medische gegevens een onafgebroken arbeidsongeschiktheid van 52 weken vanaf augustus 1998 onderbouwen.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ondanks het ontbreken van een persoonlijk onderzoek. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende was en dat hij sinds 1997 een complexe medische situatie heeft met PTSS.
De Raad stelde vast dat de WAZ-uitkering alleen kan worden toegekend indien arbeidsongeschiktheid vanaf augustus 1998 gedurende 52 weken onafgebroken bestond. Bij laattijdige aanvraag rust de bewijslast op appellant om dit met medische objectieve gegevens aannemelijk te maken. De beschikbare medische informatie was onvoldoende om dit te onderbouwen.
De verzekeringsarts had alle stukken zorgvuldig bestudeerd en gemotiveerd dat geen medische grondslag bestond voor de arbeidsongeschiktheid. Brieven van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar bevatten geen medische onderzoeksresultaten die dit konden ondersteunen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig was en dat afzien van arbeidskundig onderzoek gerechtvaardigd was.
De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.