Appellant was sinds 1994 politieambtenaar en kreeg in 2016 voorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het niet melden van financiële problemen en het aangaan van leningen die hem chantabel maakten. Bij het niet naleven van de voorwaarden werd het ontslag in 2018 onvoorwaardelijk gemaakt.
Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door een dringende reden, namelijk het plichtsverzuim en het niet melden van vier loonbeslagen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het niet nakomen van financiële verplichtingen en het niet open zijn over zijn situatie een dringende reden tot ontslag vormde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische problematiek hem niet verwijtbaar maakte en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank, stelde vast dat de werkgever voldoende begeleiding bood en dat appellant zijn verplichtingen niet nakwam. De Raad bevestigde dat de werkloosheid verwijtbaar was en dat de WW-uitkering terecht werd geweigerd.