Appellante was sinds april 2019 in dienst als zorgassistent voor 24 uur per week. Door een wijziging in haar privésituatie kon zij niet meer werken in avonddiensten, wat de werkgever niet kon honoreren. Appellante nam ontslag en vroeg een WW-uitkering aan. Het Uwv wees de uitkering af wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellante volgens hen niet alles had gedaan om opvang te regelen of een andere baan te zoeken.
De rechtbank oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos was, maar dat dit haar niet in overwegende mate kon worden verweten, omdat haar privésituatie reële bezwaren opleverde en de arbeidsovereenkomst werd beëindigd in onderling overleg. De WW-uitkering mocht daarom slechts met de helft worden verlaagd.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Appellante had onvoldoende concreet toegelicht waarom opvang niet mogelijk was en had geen pogingen gedaan een andere baan te vinden. De Raad concludeerde dat het Uwv terecht de WW-uitkering halveerde en verklaarde het beroep ongegrond.