Uitspraak
21.2234 WIA
OVERWEGINGEN
WGA-uitkering van appellante met ingang van 7 juli 2019 heeft beëindigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante werkte als administratief medewerkster en meldde zich in 2012 ziek met rug- en psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een operatie in 2017 en toegenomen klachten kende het UWV in 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 17 mei 2017, maar beëindigde deze per 7 juli 2019 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij medische en arbeidskundige rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten werden betrokken. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat het UWV de belastbaarheid van appellante had onderschat en wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt over onvoldoende zorgvuldig onderzoek en onderschatting van haar beperkingen, verwijzend naar een behandelplan van Het Rughuis en het arrest Korošec. De Raad concludeerde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen en dat het UWV de beoordeling zorgvuldig had uitgevoerd. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen vanwege het ontbreken van financiële middelen, maar dit leidde niet tot schending van equality of arms.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de WGA-uitkering terecht was beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-uitkering terecht heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.