Uitspraak
21.2234 WIA-W
OVERWEGINGEN
25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, r.o. 3.4).
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster stelde een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een hoger beroepsprocedure over een WIA-uitkering, omdat haar gemachtigde niet tijdig aanwezig was en zij meende dat het recht op hoor en wederhoor was geschonden. De behandelend rechter besloot de zaak te behandelen ondanks het ontbreken van de gemachtigde van verzoekster en weigerde een telefonisch verhoor of uitstel.
De Raad onderzocht de feiten en omstandigheden, waaronder de communicatie via de griffie en de bodes, en concludeerde dat de rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn. De procedurele beslissingen van de rechter kunnen niet worden opgevat als blijk van vooringenomenheid, ook niet gelet op de motieven en omstandigheden.
De Raad stelde vast dat het wrakingsverzoek niet gebaseerd was op feiten die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.