ECLI:NL:CRVB:2022:2705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts met een functionele mogelijkhedenlijst vast dat appellant niet geschikt was voor zijn oude werk, maar wel in staat was om 95,8% van zijn maatmanloon te verdienen met andere functies. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 8 november 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook zonder aanvullende informatie van behandelaars. De beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst hielden rekening met de pijnklachten van appellant, en er was geen medische grond voor een urenbeperking of beperking voor zitten.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over zijn buikklachten (ACNES) en vermoeidheid. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en vond dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was. Er was geen sprake van benutbare beperkingen die het recht op uitkering zouden rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht per 8 november 2019 beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmanloon kan verdienen.