ECLI:NL:CRVB:2022:2737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag ongehuwdenpensioen wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd sinds 2006, ontvangt sinds 2011 een AOW-gepensioneerde voor gehuwden. In januari 2021 verzocht hij om een ongehuwdenpensioen omdat hij meent duurzaam gescheiden te leven van zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit en handhaafde het gehuwdenpensioen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat duurzaam gescheiden leven vereist dat ten minste één echtgenoot de huwelijkse samenleving wil verbreken, dat beiden een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat deze situatie als blijvend wordt bedoeld. Hoewel appellant en zijn echtgenote niet samenwonen en geen gezamenlijke activiteiten ondernemen, zijn zij financieel nog sterk met elkaar verbonden. Zij bezitten samen een vakantiehuis in Frankrijk, onderhouden deze gezamenlijk, gebruiken een gezamenlijke Franse bankrekening voor inkomsten en uitgaven, en zijn in elkaars testamenten opgenomen.
Verder is er sporadisch contact, onder meer vanwege de verzorging van honden, en blijft de huwelijkse staat gehandhaafd om erfbelasting te voorkomen. Deze feiten wijzen op een zekere mate van zorg en verbondenheid, waardoor niet kan worden gesteld dat zij afzonderlijk leven alsof zij niet gehuwd zijn. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote.