Uitspraak
21.2891 ZW-PV
mr. R.W. de Gruijl verschenen, opvolgend gemachtigde van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. Belanghebbende is niet verschenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij haar Ziektewet-uitkering is beëindigd per 3 november 2019. Vervolgens kreeg zij vanaf 15 november 2019 opnieuw een Ziektewet-uitkering toegekend wegens een nieuwe ziekmelding uit een ander dienstverband. Het hoger beroep betrof de periode tussen 3 en 15 november 2019.
Tijdens de zitting is vastgesteld dat appellante in november 2019 inkomsten heeft gehad die de hoogte van een eventuele uitkering over die periode beïnvloeden. Het UWV heeft onweerlegbaar gesteld dat deze inkomsten betekenen dat het hoger beroep geen financiële gevolgen voor appellante heeft. Daarnaast is de wachttijd samengeteld en is vanaf augustus 2020 een WIA-uitkering toegekend.
Appellante stelde dat zij procesbelang had vanwege een mogelijke vergoeding van proceskosten, maar de Raad oordeelde dat dit geen grond is voor ontvankelijkheid. Gezien het ontbreken van feitelijk belang bij het nastreven van het resultaat van het hoger beroep, verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.