ECLI:NL:CRVB:2022:2747
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling griffierecht ondanks laag inkomen appellante
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Appellante voerde betalingsonmacht aan, omdat zij geen inkomen had en het griffierecht niet kon betalen. Zij betwistte ook dat het inkomen van haar fiscale partner bij haar vermogen werd opgeteld.
De Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie bij de beoordeling van de vrijstelling van griffierecht het inkomen en vermogen van de fiscale partner worden meegeteld bij dat van de appellant. Appellante had niet aangetoond dat de gegevens van haar fiscale partner onjuist waren of dat hij niet langer haar fiscale partner was.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht wordt aan appellante terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de toepassing van vaste rechtspraak omtrent het meetellen van het fiscale partnerschap bij de beoordeling van griffierechtvrijstelling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het te laat betaalde griffierecht wordt terugbetaald.