Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2747

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
21/3550 ZW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vrijstelling griffierecht ondanks laag inkomen appellante

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. Appellante voerde betalingsonmacht aan, omdat zij geen inkomen had en het griffierecht niet kon betalen. Zij betwistte ook dat het inkomen van haar fiscale partner bij haar vermogen werd opgeteld.

De Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie bij de beoordeling van de vrijstelling van griffierecht het inkomen en vermogen van de fiscale partner worden meegeteld bij dat van de appellant. Appellante had niet aangetoond dat de gegevens van haar fiscale partner onjuist waren of dat hij niet langer haar fiscale partner was.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht wordt aan appellante terugbetaald. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de toepassing van vaste rechtspraak omtrent het meetellen van het fiscale partnerschap bij de beoordeling van griffierechtvrijstelling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het te laat betaalde griffierecht wordt terugbetaald.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 december 2022
21/3550 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 september 2021, 21/422 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 september 2022 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 15 september 2022 en heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 december 2022. Beide partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van de Raad van 15 september 2022 is het hoger bereoep niet ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan wat is afgewezen.
In verzet stelt appellante dat zij al duidelijk uiteen heeft gezet waarom zij het griffierecht niet kan betalen. Zij heeft geen inkomen en kan het niet betalen. Dat er gekeken wordt naar het inkomen van jaar man vindt zij niet terecht. De zaak gaat tussen haar en het Uwv. Appellante heeft ten einde raad geld geleend en het griffierecht op 5 juni 2022 betaald. Appellante betreurt de manier hoe er met haar zaak om wordt gegaan.
De Raad overweegt dat in de vaste rechtspraak is overwogen dat bij de vraag of een persoon in aanmerking komt voor vrijstelling voor het betalen van griffierecht wordt gekeken naar de hoogte van het inkomen en het vermogen van een persoon. Daarbij wordt het inkomen en het vermogen van de fiscale partner opgeteld bij het vermogen van de rechtzoekende. Appellante is het daar niet mee eens. De Raad is van oordeel dat haar argumenten niet tot een ander oordeel leiden. Zij heeft niet aangevoerd dat de inkomens gegevens van haar fiscale partner onjuist is weergegeven of aangetoond dat hij niet (langer) haar fiscale partner is. Dat zij het niet eens is met de invulling is geen aanleiding om van de vast jurisprudentie af te wijken en appellante anders te behandelen dan anderen in dezelfde situatie.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het te laat betaalde griffierecht wordt aan appellante teruggestort.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat een bedrag van € 134,- aan appellante wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van Y. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) Y. Fatni