ECLI:NL:CRVB:2022:2751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid bij migraineklachten
Appellant, voormalig manager thuiszorg, heeft een WIA-uitkering ontvangen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 51,65%. Hij voerde aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn migraineaanvallen, die hij gemiddeld twee keer per week ervaart, inclusief de nasleep die ongeveer een dag duurt. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het ziekteverzuim door migraine niet excessief was, mede op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de frequentie en duur van zijn migraineaanvallen hoger zijn dan aangenomen en dat de medicatie niet altijd effectief is, wat leidt tot een hoger ziekteverzuim. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde aanvankelijk dat de frequentie niet medisch was geobjectiveerd en dat een aanval slechts enkele uren duurt, maar erkende later dat de medische informatie dit onvoldoende onderbouwde.
De Raad concludeert dat het UWV onterecht uitging van een lagere frequentie en duur van migraineaanvallen en dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien met inachtneming van een verzuimpercentage van 28,57% per week, rekening houdend met factoren zoals voorspelbaarheid en persoonsgebonden aspecten.
Omdat het geschil hiermee nog niet definitief is beslecht, geeft de Raad nog geen oordeel over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien wegens onvoldoende motivering omtrent migraineaanvallen.