ECLI:NL:CRVB:2022:2762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering en boete wegens schending inlichtingenverplichting bij werkzaamheden in prostitutie
Appellante ontving tussen 10 februari 2020 en 24 mei 2020 een WW-uitkering en ZW-uitkering met toeslag. Het UWV startte een onderzoek naar een fraudemelding dat appellante naast haar uitkering werkzaam was als thuisprostituee. Het onderzoek leverde onder meer bankafschriften en verklaringen op, waaruit bleek dat appellante betalingen ontving en betaalde voor advertenties op een erotische website.
Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde ten onrechte ontvangen bedragen terug, legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting en handhaafde deze besluiten na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat zij werkzaamheden in de prostitutie verrichtte en dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden.
In hoger beroep betwistte appellante de werkzaamheden en stelde dat haar bankrekening zonder toestemming was gebruikt door derden. Zij gaf verklaringen over verkoop van tweedehands spullen, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende feiten had aangedragen en appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden, dat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld en dat de boete terecht was opgelegd.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van uitkeringen, terugvordering en boete worden bevestigd.