Betrokkene was sinds 2016 beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht en werd ontslagen wegens wangedrag vanwege bezit en gebruik van harddrugs op 23 februari 2020. De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke ontslagbesluit omdat onvoldoende feitelijke informatie was verzameld om het gebruik van harddrugs deugdelijk vast te stellen.
De staatssecretaris nam daarop een nader besluit met aanvullende bewijsstukken, waaronder proces-verbalen en verklaringen van verbalisanten en getuigen. De Raad oordeelde dat het nader besluit voldoende bewijs bevatte om vast te stellen dat betrokkene harddrugs had gebruikt, ondanks betwisting van betrokkene en tegenstrijdigheden in verklaringen.
De Raad verwierp het beroep van betrokkene dat het besluit in strijd zou zijn met de onschuldpresumptie uit het EVRM, mede omdat het strafrechtelijk onderzoek was geseponeerd zonder inhoudelijk oordeel over bewijs. De belangenafweging van de staatssecretaris, gebaseerd op het zerotolerancebeleid van Defensie, werd als proportioneel beoordeeld.
Het hoger beroep van de staatssecretaris slaagde niet, maar het beroep van betrokkene tegen het nader besluit werd eveneens ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.