Uitspraak
19.4334 AW, 19/5337 AW
mr. drs. M.J.M. Suijs, J.A. Buizer en P. van Musscher.
OVERWEGINGEN
6 oktober 2016 is betrokkene hiervan in kennis gesteld.
9 januari 2017, met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in verbinding met artikel 78, eerste lid, van het Barp, wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, waarbij is bepaald dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich tot één jaar na datum uitreiking van dit besluit niet opnieuw aan soortgelijk noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim schuldig maakt.
9 januari 2017 onder een aanvullende motivering ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef, voor zover in hoger beroep nog van belang, ten grondslag gelegd dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim bestaande uit de volgende gedragingen:
en het arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije (ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD002110707, punt 32) volgt dat het feit dat een verband als bedoeld onder 4.3 is vastgesteld, op zichzelf niet voldoende is voor de conclusie dat het oordeel van de strafrechter eraan in de weg staat dat in een latere bestuursrechtelijke procedure de gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken – als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs – bewezen worden verklaard. Daarbij is wel van belang dat de rechterlijke en andere autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel dienen te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van wat de betrokkene in de strafzaak werd verweten. Vergelijk het onder 4.3 bedoelde arrest van de Hoge Raad. Daarbij is tevens van belang dat de autoriteiten zich dienen te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedraging van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan. Vergelijk het eerdergenoemde arrest van 18 oktober 2016 in de zaak van Alkasi tegen Turkije en het arrest van 28 maart 2017 in de zaak van Kemal Coskun tegen Turkije (ECLI:CE:ECHR:2017:0328JUD004502807, punt 52).
19 juni 2019). De toetsing in het politietuchtrecht is daarentegen breder. Zo wordt ook de professionaliteit van het politieoptreden getoetst, waarbij er mede oog is voor de combinatie van individueel geweldgebruik met geweldgebruik door andere politieambtenaren. Doel van het politietuchtrecht is onder meer het lering trekken uit onprofessioneel geacht politieoptreden. Hoewel er geen sprake is van vastgesteld beleid ten aanzien van het gebruik van fysiek geweld door de politie, zijn er wel degelijk uitgangspunten en normen die (moeten) worden gehanteerd. De korpschef heeft in dit verband gewezen op het rapport ‘Verantwoord politiegeweld’ van de Nationale ombudsman van 2 juni 2013 (nr. 2013/055). Toegespitst op het voorliggende geval blijft de korpschef op het standpunt staan dat betrokkene door meerdere malen, waarschijnlijk tweemaal, met een vuist in het gezicht te slaan van [X] heeft gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en/of subsidiariteit, met dien verstande dat de korpschef in hoger beroep heeft toegelicht dat het handelen van betrokkene op dit punt niet professioneel en ‘conform de normen van de politie’ is geweest. Daarbij heeft voor de korpschef uitdrukkelijk meegewogen dat bij de aanhouding door meerdere politiemensen in korte tijd zwaar geweld is gebruikt tegen [X], zonder dat daarbij enige (onderlinge) afstemming heeft plaatsgevonden.
strafrechtelijkeafdoening dan de door het openbaar ministerie gekozen vervolging, dient te worden afgewezen.”
9 januari 2017 te herroepen, met dien verstande dat het voorwaardelijk strafontslag wordt gewijzigd in de voorwaardelijke straf van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp. De Raad ziet geen aanleiding om de bij het besluit van 9 januari 2017 vastgestelde proeftijdperiode – de periode van 10 januari 2017 tot en met 9 januari 2018 – te wijzigen.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juli 2018;
- herroept het besluit van 9 januari 2017, met dien verstande dat het voorwaardelijk strafontslag wordt gewijzigd in de voorwaardelijke straf van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 11 juli 2018;
- veroordeelt de korpschef in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 3.675,-;
- bepaalt dat de korpschef aan betrokkene het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 433,- vergoedt.