ECLI:NL:CRVB:2022:2781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- L.M. Tobé
- A. BeukerTilstra
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens ontbreken buitensporige werkomstandigheden ambtenaar
Appellante, sinds 2007 werkzaam bij de gemeente Tynaarlo, vorderde schadevergoeding wegens psychische klachten veroorzaakt door haar werkomstandigheden. Na eerdere beslissingen over doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte, wees het college haar verzoek om restschadevergoeding af wegens het ontbreken van buitensporige werkomstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het college terecht opnieuw kon toetsen aan het buitensporigheidsvereiste. In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad oordeelde dat de formele rechtskracht van eerdere besluiten zich niet uitstrekt tot feitelijke en juridische oordelen en dat een nieuwe toetsing gerechtvaardigd is.
Uit de feiten bleek dat appellante te maken had met een problematische ondergeschikte en een niet goed functionerende leidinggevende, maar dat dit objectief geen buitensporige werkomstandigheden opleverde. Het ontbreken van schriftelijke vastlegging van verbetertrajecten en het feit dat er maatregelen waren genomen, waaronder het beëindigen van de arbeidsrelatie met de ondergeschikte, onderbouwden dit oordeel.
De Raad wees verzoeken om aanvullende getuigenverklaringen af en concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar werkomstandigheden een buitensporig karakter droegen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens buitensporige werkomstandigheden wordt afgewezen omdat deze omstandigheden objectief niet buitensporig waren.