ECLI:NL:CRVB:2022:2788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens het bereiken van 18 jaar en niet-arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds november 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per september 2019, omdat het jongste kind van appellante in augustus 2019 18 jaar werd. Vervolgens onderzocht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de arbeidsongeschiktheid van appellante. Op basis van het advies van het Uwv weigerde de Svb de uitkering na 31 augustus 2019 toe te kennen, omdat appellante niet arbeidsongeschikt was in de zin van de ANW.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en vond dat de Svb de conclusies van het Uwv mocht volgen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan aangenomen, waardoor zij niet in staat zou zijn de geduide functies te vervullen. De Raad oordeelde dat appellante niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was op 31 augustus 2019, zoals vereist volgens artikel 14 van Pro de ANW.
De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de rechtbank de beroepsgronden van appellante terecht had verworpen. Ook de door appellante aangevoerde fibromyalgiescore werd niet als objectief medisch bewijs erkend. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de beëindiging van de nabestaandenuitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering omdat appellante niet arbeidsongeschikt is volgens de ANW.