Appellant kreeg bij besluit van 8 mei 2019 een AOW-pensioen toegekend van 72% vanwege niet-verzekerde perioden, waaronder 9 oktober 1987 tot en met 31 december 1989. Hij verzocht om herziening van dit besluit, stellende dat hij in die periode wel ingezetene was, ondersteund met verklaringen van derden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, stellende dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens een te beperkte toets, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk ingezetene was, met bewijsstukken zoals paspoortkopieën, een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en verklaringen van derden die zijn verblijf en werkzaamheden in Nederland bevestigen.
De Raad hanteerde de vaste rechtspraak omtrent duuraanspraken en stelde vast dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de betwiste periode als ingezetene moet worden aangemerkt. Dit leidt tot herziening van het pensioen vanaf het herzieningsverzoek van 18 juni 2020. Voor de periode daarvoor is het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is. De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.