ECLI:NL:CRVB:2022:281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering schadevergoeding wegens fouten bij vaststelling WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 1986 een WAO-uitkering die meerdere malen werd herzien. Hij stelde dat fouten van rechtsvoorgangers van het UWV bij de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid hebben geleid tot een te lage uitkering en vroeg om schadevergoeding vanaf 1999.
Het UWV wees het verzoek af wegens verjaring en ontkende aansprakelijkheid. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat appellant niet had aangetoond dat de verjaring na 2003 tijdig was gestuit, ondanks het overleggen van diverse brieven. De Raad volgde dit oordeel en benadrukte dat appellant niet kon aantonen dat de brieven van 2010 en 2015 aangetekend waren verzonden.
Omdat de vordering verjaard was, heeft de rechtbank terecht niet inhoudelijk op de aansprakelijkheid beslist. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vordering van appellant is verjaard wegens onvoldoende bewijs van tijdige stuiting van de verjaring.