Appellante ontving sinds 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 werd de uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het bezwaar en beroep tegen deze beslissing werden ongegrond verklaard door rechtbank en Raad.
In 2018 meldde appellante toegenomen fysieke en psychische klachten, maar verzekeringsartsen concludeerden dat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en zag geen reden de beperkingen te herzien. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en lichamelijke klachten waren toegenomen en dat een onafhankelijke psychiatrische deskundige nodig was.
De Raad benoemde een psychiater die concludeerde dat de psychische stoornis sinds 2014 persisteerde zonder significante verslechtering. De deskundige onderschreef de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2018. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat er geen toename van medische beperkingen was die recht gaf op hernieuwde WGA-uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.