Appellant ontving bijstand en startte in juni 2017 als personal trainer met een eenmanszaak. Hij diende een aanvraag in voor bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Na een anonieme melding startte het college een onderzoek, waaruit bleek dat appellant zijn werkzaamheden en inkomsten niet tijdig had gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De aanvraag voor bijstand en bedrijfskapitaal werd afgewezen. Appellant voerde bezwaar aan, maar het college handhaafde de besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overwoog dat appellant niet tijdig melding had gemaakt van zijn werkzaamheden en inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De bankafschriften toonden nauwelijks uitgaven voor normale kosten van bestaan, wat duidde op onduidelijke herkomst van middelen. De intrekking van de bijstand was daarom terecht. Ook de afwijzing van de aanvraag op grond van het Bbz 2004 was gegrond omdat appellant de benodigde gegevens niet aannemelijk had gemaakt.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.