ECLI:NL:CRVB:2022:300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak op toeslag en kopje bij ZW- en WAO-uitkering
Appellant, uitzendkracht die sinds 2001 arbeidsongeschikt is, verzocht om een hogere toeslag en kopje op zijn Ziektewet- en WAO-uitkeringen met terugwerkende kracht tot het begin van zijn ZW-periode. Het UWV wees dit af omdat de toeslag en kopje conform de geldende wet- en regelgeving waren toegekend, met een maximale terugwerkende kracht van één jaar voor toeslagen en pas recht op kopje vanaf zijn 23e levensjaar.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, onder meer omdat het bezwaar tegen het besluit van 2005 niet tijdig was ingediend en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door psychische klachten niet eerder kon procederen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en stelde dat het UWV ambtshalve een hogere toeslag had moeten toekennen.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft gehandeld en dat appellant geen aanspraak heeft op een hogere toeslag of kopje met eerdere ingangsdatum. De Raad constateert dat het UWV de besluiten niet volledig kon reconstrueren vanwege het tijdsverloop, maar dat dit voor risico van appellant komt. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.