Uitspraak
17 6188 WAO
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als uitzendkracht en viel in 2001 uit voor zijn werkzaamheden. Het UWV kende hem in 2003 een WAO-uitkering toe met een evenredige verlaging van het dagloon vanwege niet-gewerkte dagen uit eigen keuze. Appellant verzocht in 2016 om herziening van dit besluit, stellende dat ziekte de oorzaak was van het niet werken. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische stukken geen nieuwe feiten bevatten die het oorspronkelijke besluit konden wijzigen. De verzekeringsarts concludeerde dat het verzuim niet verklaard kon worden door arbeidsbeperkingen in de referteperiode. In hoger beroep voerde appellant aan dat er sprake was van ernstige psychiatrische problematiek in het refertejaar, maar de Raad oordeelde dat deze medische stukken geen nieuwe feiten vormden.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht het dagloon had verlaagd vanwege de persoonlijke voorkeur van appellant om afwisselend wel en niet te werken, en dat de medische stukken onvoldoende bewijs boden voor structurele arbeidsongeschiktheid in de referteperiode. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.