ECLI:NL:CRVB:2022:329
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek erkenning verzetsdeelnemer Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet
Appellant, geboren in 1928, heeft meerdere keren verzocht om erkenning als deelnemer aan het verzet tegen de Japanse bezetter op grond van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (Wiv). Hij stelde dat hij diverse ondersteunende activiteiten had verricht, zoals het smokkelen van papaja’s en het vervoeren van medicijnen naar verzetsdeelnemers op Celebes. Deze verklaringen werden echter niet bevestigd door andere gegevens of bewijsstukken.
De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft zijn aanvraag in 2017 afgewezen en dit besluit na bezwaar gehandhaafd. Ook eerdere beroepen en herzieningsverzoeken in 2018, 2019 en 2020 werden ongegrond verklaard. In januari 2021 diende appellant opnieuw een herzieningsverzoek in, dat eveneens werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of gegevens die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en het bezwaar tegen het besluit geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat hij daadwerkelijk bij verzetsactiviteiten betrokken was. Tevens kan de anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, Wiv niet worden toegepast omdat appellant niet als verzetsdeelnemer kan worden aangemerkt.
De Raad verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door H. Lagas, in aanwezigheid van griffier D. Al-Zubaidi, op 28 januari 2022.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten en onvoldoende bewijs van verzetsdeelname.