ECLI:NL:CRVB:2022:387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om herziening van arbeidsongeschiktheidsuitspraak niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijn
Verzoeker heeft verzocht om herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2020, waarin een eerdere uitspraak uit 2019 werd bevestigd dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening. Het oorspronkelijke geschil betreft de afwijzing van een beroep tegen een beslissing van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid en het recht op een uitkering.
De Raad heeft vastgesteld dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die minder dan een jaar vóór het herzieningsverzoek bekend waren. Het verzoek is bovendien meer dan een jaar na de uitspraak van 2019 ingediend, waardoor het onredelijk laat is. Volgens vaste rechtspraak leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
De Raad concludeert dat het verzoek om herziening niet-ontvankelijk is en wijst het af zonder toewijzing van proceskosten. Verzoeker is niet verschenen bij de zitting, het UWV werd vertegenwoordigd.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 8:119 Awb Pro omtrent de voorwaarden voor herziening van onherroepelijke uitspraken, met name de eis van tijdige indiening en het bestaan van nieuwe feiten of omstandigheden.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door rechter H.G. Rottier op 17 februari 2022.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijn en gebrek aan nieuwe feiten.