ECLI:NL:CRVB:2022:389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant had eerder een WAO-uitkering ontvangen die in 2005 werd beëindigd vanwege minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na een verslechtering van zijn gezondheidstoestand vanaf 2009 vroeg appellant in 2018 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant op 20 april 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant geschikt was voor geselecteerde functies binnen zijn beperkingen.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen onvoldoende waren erkend, onderbouwd met een expertiserapport waarin uitgebreidere beperkingen werden gesteld. De rechtbank oordeelde dat het UWV de belastbaarheid juist had vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep herhaalde appellant deze stellingen en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. Er waren geen nieuwe medische stukken die aanleiding gaven tot twijfel aan het eerdere oordeel. De Raad vond dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies medisch passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.