Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 april 2019 wordt verlaagd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering en werkt daarnaast 20 uur per week. Het UWV heeft voorschotten betaald op basis van een schatting van haar inkomsten, waarna later de definitieve uitkering is vastgesteld en te veel betaalde voorschotten zijn teruggevorderd.
Appellante maakte bezwaar tegen de terugvorderingen en stelde onder meer dat bonussen niet tot het sv-loon behoren en dat er discrepanties zijn tussen loonstroken en Suwinet. De rechtbank wees haar beroep af, stellende dat het UWV de loongegevens correct heeft verwerkt en dat er geen dringende redenen zijn om terugvordering te voorkomen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, waaronder het ontbreken van hoorzittingen en vermeende schending van artikel 3:2 Awb Pro. De Raad oordeelt dat het UWV voldoende heeft onderbouwd dat de loongegevens juist zijn en dat er geen dringende redenen zijn om terugvordering af te zien. Ook is geen sprake van procedurele tekortkomingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten en de juiste vaststelling van de definitieve uitkering.