Uitspraak
19.456 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten hebben bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, waarbij zij schulden en geldleningen bij familieleden hebben opgegeven. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet aannemelijk konden maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden, mede vanwege onduidelijke en niet onderbouwde contante stortingen op hun bankrekening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellanten onvoldoende inzicht hadden gegeven in de geldstromen en dat het niet aan het dagelijks bestuur was om nader onderzoek te verrichten. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellanten geen concrete en controleerbare stukken hebben overgelegd om de herkomst van de kasstortingen te onderbouwen.
Ook het beroep in hoger beroep faalt omdat appellanten geen nieuwe of andere gronden hebben aangevoerd die het oordeel van de rechtbank kunnen weerleggen. De Raad concludeert dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de relevante periode bijstandbehoevend waren en bevestigt daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende inzicht in geldstromen.