Uitspraak
1 juli 2015, 14/4279 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten vroegen bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand en overlegden bankafschriften met kasstortingen van in totaal €3.875,-. Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees de aanvraag af omdat appellanten niet met objectieve en verifieerbare gegevens de herkomst van deze stortingen konden aantonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellanten gingen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast van de bijstandbehoevendheid bij appellanten ligt en dat zij niet voldeden aan de inlichtingenverplichting. De verklaringen van familieleden waren niet concreet of verifieerbaar en de Raad achtte het niet de taak van het college om nader onderzoek te doen.
Gezien de substantiële bedragen en de onduidelijkheid over de financiële situatie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens onvoldoende bewijs over de herkomst van kasstortingen.