ECLI:NL:CRVB:2022:45
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als leidster kinderopvang en heeft na diverse ziekteperiodes een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd bevonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat de medische beoordeling en functiebeoordeling adequaat waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden, mede vanwege haar financiële situatie. Tevens stelde zij dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende waren, met name voor rug- en psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank, verwierp het beroep en bevestigde dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel was en dat de medische beoordeling en functiebeoordeling juist en voldoende waren gemotiveerd. Er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.