ECLI:NL:CRVB:2022:460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als keukenhulp, viel op 3 januari 2009 uit wegens ziekte. Het UWV kende hem aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2018 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast via een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna het UWV de WIA-uitkering beëindigde omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij de rechtbank het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering door het UWV en een deskundige verzekeringsarts benoemde. Deze deskundige onderschreef grotendeels de beperkingen zoals vastgesteld, met uitzondering van sociaal functioneren. De rechtbank concludeerde dat het besluit tot beëindiging van de uitkering terecht was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, aangevoerd dat zijn klachten verergerd waren en dat medische informatie uit 2018 en 2021 dit zou onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens waarop het UWV en de deskundige zich baseerden juist waren en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
De Raad benadrukte dat het UWV bij een latere beoordeling andere functies mag betrekken dan bij eerdere beoordelingen, omdat zowel functies als beperkingen kunnen wijzigen. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering per 13 maart 2018 wordt bevestigd.