ECLI:NL:CRVB:2022:476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens verblijf in Guyana zonder exportmogelijkheid
Appellant, met de Nederlandse en Guyaanse nationaliteit, ontving een WAO-uitkering die het UWV introk per 1 februari 2015 omdat hij niet in Suriname maar in Guyana woonde. Nederland heeft met Guyana geen sociale zekerheidsverdrag dat export van de uitkering mogelijk maakt.
Het UWV baseerde zich op onderzoek van de Nederlandse ambassade en verklaringen van de zus van appellant, die stelde dat appellant nooit in Suriname heeft gewoond. Appellant erkende ter zitting dat hij in de periode 1 februari 2015 tot en met 31 januari 2018 in Guyana verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat het UWV terecht de uitkering introk en het teveel betaalde bedrag terugvorderde, omdat geen dringende reden bestond om daarvan af te zien. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant niet aannemelijk maakte dat het UWV toezeggingen had gedaan die hem mochten doen afleiden dat intrekking en terugvordering achterwege zouden blijven.
De Raad concludeert dat de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering rechtmatig zijn en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en de terugvordering van het teveel betaalde bedrag worden bevestigd.