Uitspraak
19.5283 PW
OVERWEGINGEN
.Dat appellant niet is verschenen omdat hij vreesde voor zijn aanhouding, komt voor zijn rekening en risico. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht uitgenodigd voor gesprekken in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van zijn bijstandsuitkering. Appellant verscheen niet op de afspraken omdat hij vreesde voor aanhouding en verstrekte geen informatie over zijn verblijfplaats, wat essentieel was voor de beoordeling van zijn recht op bijstand.
Het college trok de bijstand met ingang van 27 december 2018 in, waarbij het bezwaar van appellant deels werd gehonoreerd door de intrekking tot 20 maart 2019 te herroepen, maar de intrekking vanaf 21 maart 2019 in stand te laten vanwege schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was het onderzoek te verrichten en dat het standpunt van appellant dat de uitnodiging enkel tot doel had hem aan te houden niet werd gevolgd. Ook het beroep op nemo teneturbeginsel faalde, omdat de inlichtingenverplichting losstaat van strafrechtelijke waarborgen. Appellant had onvoldoende informatie verstrekt over zijn verblijfplaats, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en de intrekking terecht was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand vanaf 21 maart 2019 wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.