Appellant ontving bijstand en exploiteerde zonder melding een hennepkwekerij in zijn woning. De politie trof de kwekerij aan en appellant werd strafrechtelijk veroordeeld voor diefstal van elektriciteit en overtreding van de Opiumwet. Het college trok de bijstand vanaf 3 juli 2014 in en vorderde de kosten terug, legde tevens een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door de hennepkwekerij niet te melden en door het niet doorgeven van een gewijzigd woonadres na uitzetting. De Raad vernietigde het besluit voor de periode na ontmanteling van de kwekerij wegens onvoldoende feitelijke grondslag en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering.
De Raad stelde vast dat het nemo tenetur-beginsel niet werd geschonden omdat de inlichtingenplicht losstaat van strafrechtelijke vervolging en dat appellant keuze had om bijstand te beëindigen. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en het college veroordeeld in de proceskosten.