Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:515

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2022
Publicatiedatum
11 maart 2022
Zaaknummer
19/3713 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergoeding verhuiskosten op grond van Wmo 2015 wegens ongeschikte woning

Appellant vroeg een vergoeding voor verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 omdat zijn woning ongeschikt zou zijn vanwege knieklachten en de aanwezigheid van een trap. Het college wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van het Indicatie Adviesbureau Amsterdam (IAB), dat stelde dat de woning al ongeschikt was bij het betrekken ervan.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het IAB-onderzoek onzorgvuldig was en dat de verklaring van zijn huisarts meer gewicht had moeten krijgen, omdat hij niet kon voorzien dat zijn knieklachten zouden toenemen.

De Raad oordeelde dat het college terecht het medisch advies van het IAB mocht volgen. Het onderzoek was zorgvuldig en functioneel, en de medisch adviseur had een duidelijk beeld van de beperkingen van appellant. De informatie van de huisarts gaf geen aanleiding tot een ander oordeel.

Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de vergoeding verhuiskosten op grond van de Wmo 2015 bevestigd.

Uitspraak

19 3713 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2019, 18/7522 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 2 maart 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.H.G. Daane Bolier, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 19 januari 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Daane Bolier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woonde in een woning op de eerste verdieping die bereikbaar is via een trap. Appellant heeft knieklachten en wilde daarom verhuizen naar een gelijkvloerse woning zonder trappen. Hij heeft het college verzocht om een vergoeding in de verhuiskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 6 augustus 2018, gehandhaafd bij besluit van 21 november 2018, de aanvraag van appellant afgewezen. Het college heeft hieraan het medisch advies van het Indicatie adviesbureau Amsterdam (IAB) van 1 augustus 2018 ten grondslag gelegd. Dit advies houdt in dat de woning van appellant ongeschikt is vanwege de trap, maar dat dit ook al het geval was toen appellant deze woning betrok.
1.3.
In beroep heeft de medisch adviseur van het IAB op 6 maart 2019 een reactie gegeven op de door appellant overgelegde informatie van de huisarts van 24 januari 2019 en zijn eerdere standpunt gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de woning niet ongeschikt was toen hij deze betrok. Dat zijn knieklachten zodanig zouden toenemen dat hij problemen zou krijgen met traplopen heeft hij niet kunnen voorzien. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college mocht afgaan op het rapport van het IAB. Het onderzoek door het IAB is onzorgvuldig geweest en het is onduidelijk hoe de adviseur tot zijn conclusie is gekomen. Er had meer gewicht aan de verklaring van de huisarts toegekend moeten worden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college mocht afgaan op het medisch advies van het IAB. Anders dan appellant stelt, is er geen aanleiding voor het oordeel dat dit advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat het advies niet concludent of anderszins onjuist is. De medisch adviseur van het IAB heeft appellant op 1 augustus 2018 op het spreekuur gezien en heeft beperkt en gericht functioneel onderzoek verricht. Daarnaast heeft de medisch adviseur de door het college verstrekte gegevens en de door appellant verstrekte informatie in zijn beoordeling betrokken. Volgens de medisch adviseur heeft hij hiermee een voldoende duidelijk beeld gekregen van de beperkingen van appellant. De medisch adviseur heeft op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat appellant nu, maar ook al bij het betrekken van de woning, beperkt was in traplopen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies. Dat de informatie van de huisarts van 24 januari 2019 tot een ander oordeel had moeten leiden, volgt de Raad niet. De huisarts vermeldt slechts dat appellant al lange tijd last heeft van zijn knieën en dat hij het verloop van zijn knieklachten niet kon voorspellen. Uit deze informatie blijkt niet dat appellant bij het betrekken van de woning geen problemen had bij het traplopen.
4.2.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek als voorzitter en L.M. Tobé en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2022.
(getekend) H. Benek
(getekend) E.J. van der Veldt