ECLI:NL:CRVB:2022:518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat geen dwangsom verschuldigd is bij tijdige beslissing op Wmo-aanvraag
Appellante diende op 2 juli 2018 een aanvraag in op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Na het uitblijven van een beslissing stelde zij het college op 22 mei 2019 in gebreke. Het college nam vervolgens op 4 juni 2019 een besluit tot afwijzing van de aanvraag. Op 6 juni 2019 gaf het college aan geen dwangsom verschuldigd te zijn, hetgeen bij bezwaar op 6 november 2019 werd bevestigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat het college een dwangsom had verbeurd omdat het besluit van 4 juni 2019 niet goed gemotiveerd was en onjuist zou zijn, mede omdat de gevraagde voorziening later alsnog werd verstrekt op 11 oktober 2019.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtmatigheid van het besluit niet bepalend is voor de vraag of een dwangsom verschuldigd is. Omdat het besluit binnen twee weken na de ingebrekestelling was genomen, volgt de Raad de rechtbank dat geen dwangsom verschuldigd is. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college geen dwangsom verschuldigd is omdat het besluit binnen de wettelijke termijn is genomen.